591108-Bekkers

78 Hoofdstuk 3 3.1.3 Het morele vs. het ethische Zoals hiervoor aangegeven ziet Habermas problematische geldigheidclaims met betrekking tot rechtvaardigheid opgelost worden in een praktisch discours. Het rechtvaardig reguleren van interpersoonlijke relaties is volgens Habermas de kern van moraliteit. Een commitment aan moraliteit impliceert daarom een commitment aan argumentatie, en dus aan de regels voor argumentatie en het daarvan afgeleide Universaliseerbaarheidsprincipe (U). Als testprocedure voor de rechtvaardigheid van voorgestelde normen, wordt het morele standpunt uitgedrukt door (U). Het morele standpunt dat (U) uitdrukt, houdt in dat eenieder zich verplaatst in het perspectief van ieder ander (Habermas 1991b, 52). Het is belangrijk om scherp te maken wat Habermas wel en niet betoogt (en rechtvaardigt). De kern van Habermas’ argument is dat regels voor argumentatie een onvermijdelijke vooronderstelling zijn van de sociale praktijk van argumentatie. Het ontkennen van deze condities in een conversatie gericht op rationele overeenstemming is tegenstrijdig, omdat men zich dan buiten de praktijk van argumentatie plaatst en niet langer gericht kan zijn op rationele overeenstemming (Habermas 1983a, 99–102). Habermas rechtvaardigt niet het commitment aan rationele overeenstemming zelf, in de zin dat iedereen de regels voor argumentatie altijd zou moeten volgen. Alleen als iemand gecommitteerd is aan rationele overeenstemming, ofwel aan moraliteit, dán is er geen alternatief (Habermas 1983a, 95).93 Dus, als Robin, Simone en Tom een meningsverschil hebben over de normen voor voedseldistributie, dan claimt Habermas niet dat zij verplicht zijn om hun meningsverschil in een praktisch discours op te lossen. Hij betoogt slechts dat als zij ernaar streven om tot een rationele overeenstemming te komen, dat dan een praktisch discours hun enige optie is. Kortom, de vraag ‘why be moral?’ wordt in de Discours Ethiek niet beantwoord. Habermas ziet dit als een ethische vraag, waar de filosofie geen uitspreken over kan doen: “A good will is awakened and fostered not through argumentation but through socialization into a form of life that complements the moral principle. (…) World-disclosing arguments that induce us to see things in a radically different light are not essentially philosophical arguments and a fortiori not ultimate justifications.” (Habermas 1991b, 79) Het commitment ommoreel te zijn is het gevolg van een socialisatieproces, waarin opgroeiende kinderen zich overtuigingen, normen en waarden van een gemeenschap eigen maken. Deze geïnternaliseerde overtuigingen, normen en waarden vormen een vanzelfsprekende en samenhangende achtergrond voor het denken en handelen van mensen in deze gemeenschap. Habermas noemt het samenhangende geheel van achtergrondovertuigingen en vanzelfsprekende normen en waarden een ‘leefwereld’ (Habermas 1981b, 337).94 De Discours 93 Een andere belangrijke pleitbezorger van de Discours Ethiek, Karl-Otto Apel, heeft getracht argumentatie zelf te rechtvaardigen. Hier wordt vaak naar verwezen als “Letztbegründung”. Habermas merkt op dat Apel’s argument een beroep doet op aannames met betrekking tot bewustzijn die hij niet deelt (Habermas 1991b, 76–82). 94 Habermas’ concept ‘leefwereld’ kan in verband worden gebracht met Rawls’ concept levensbeschouwelijke doctrine (zie paragraaf 2.1.1) en Taylor’s concept van een moreel kader (zie paragraaf 4.1.1) en het concept ‘betekenishorizon’ (zie paragraaf 4.1.3).

RkJQdWJsaXNoZXIy MjY0ODMw