588139-Lustenhouwer

156 CHAPTER 8 gericht op aansturing vanuit de hersenen, herstel kan bevorderen. Deel 2 - Hoe revalidatie het herstel kan bevorderen bij NA Ondanks het feit dat veel patiënten met NA lang last blijven houden van bewegingsproblemen,was er noggeenbewezeneffectievebehandelingvoor dezeklachten toen we het NA-CONTROL onderzoek startten. Reguliere zorg is vaak ineffectief en kan de symptomen zelfs verergeren. Hoewel de aanpak kan verschillen, bestaat reguliere zorg meestal uit traditionele fysiotherapie waarbij kracht en uithoudingsvermogen getraind wordt. Het (inter)nationale expertisecentrum voor NA is onderdeel van het Spierziekten Centrum Radboudumc in Nijmegen. De experts in het Radboudumc hebben een specifiek, multidisciplinaire poliklinische revalidatieprogramma ontwikkeld om de restklachten bij NA te behandelen. Dit revalidatieprogramma bestaat uit een combinatie van specialistische ergotherapie en fysiotherapie. De ergotherapie richt zich op het verbeteren van zelfmanagement. De fysiotherapie richt zich op het opnieuw aanleren van een correct bewegingspatroon, door met coördinatietraining de bewegingssturing vanuit de hersenen te trainen. Deze multidisciplinaire aanpak heeft veelbelovende resultaten laten zien: zowel in de klinische praktijk, als in een vooronderzoek in een klein aantal patiënten. Het specifieke revalidatieprogramma was echter nog nooit systematisch onderzocht in een grote groep patiënten met controle groep. Hoofdstuk 5 van dit proefschrift beschreef het eerste gerandomiseerde onderzoek met een controle groep (RCT) naar behandeling van de restverschijnselen bij NA. We vergeleken de klinische symptomen van twee groepen patiënten na 17 weken behandeling met elkaar. Er deden 47 patiënten mee aan het onderzoek: één groep doorliep het specifieke revalidatie programma, de andere groep ontving reguliere zorg. We verwachtten dat patiënten na het specifieke revalidatieprogramma meer vooruitgang zouden laten zien dan na reguliere zorg. We vonden dat de armfunctie, de belangrijkste uitkomstmaat, inderdaad meer vooruit was gegaan na het specifieke revalidatieprogramma dan na reguliere zorg. Ook 4 maanden na de behandeling behielden patiënten deze vooruitgang in armfunctie. We vonden geen statistisch significante groepsverschillen voor de andere klinische uitkomstmaten. Wel zagen we een trend in het voordeel van het specifieke revalidatieprogramma op vrijwel alle domeinen. Patiënten leken na het specifieke revalidatieprogramma onder andere minder pijn en vermoeidheid te ervaren en verbeterd zelfmanagement en participatie in dagelijkse activiteiten te hebben. Uit de resultaten van hoofdstuk 5 concludeerden we dat specifieke, multidisciplinaire, poliklinische revalidatie een effectieve behandeling is om de armfunctie van NA patiënten te verbeteren. Om te begrijpen hoe de aansturing vanuit de hersenen verandert met revalidatie en herstel, voerden we in hoofdstuk 6 een functionele MRI studie uit in een deel van de patiënten die aan het NA-CONTROL onderzoek mee deden. Zowel voor als direct na de behandeling, deden 27 patiënten de motor imagery taak uit hoofdstukken 3 en 4, terwijl we functionele MRI scans van de hersenen maakten. We verwachtten dat specifieke revalidatie, maar niet reguliere zorg, de veranderde bewegingssturing vanuit de hersenen zou kunnen beïnvloeden. Net als in hoofdstuk 5, was de verbetering in armfunctie groter na specifieke revalidatie dan na reguliere zorg In deze deelgroep. Ook zorgde specifieke revalidatie voor een grotere vermindering van pijn dan reguliere zorg. Ondanks deze verschillen in klinische uitkomstmaten, waren er geen significante verschillen in

RkJQdWJsaXNoZXIy MjY0ODMw